F

Geschiedenis van Budo

Het is erg lastig om achter de verre oorsprong van budo te komen. Dit komt doordat het grotendeels slechts bekend is via mythen en legenden die van de ene generatie op de andere mondeling zijn overgedragen.

Griekenland

Pankration

Het vroegste en duidelijkste bewijs stamt uit de tijd voor Christus in Griekenland. Bij de Olympische spelen (vanaf 776 v.C.) vonden wedstrijden plaats in het pankration (παγκρατιον: alle krachten). Afbeeldingen van de training en wedstrijden zijn te zien op Griekse aardewerk en mozaïeken. De opponenten gingen elkaar letterlijk te lijf, trachten elkaars ledematen om te draaien of schopten naar de meest zachte delen van elkaars lichaam. Pankration kende weinig regels, de enige oorspronkelijke verbodsbepalingen die golden 'in de ring' waren het dragen van voorwerpen en kledingstukken op het lichaam. Later werd het ook verboden om tanden of nagels te gebruiken en om met de vingers in de ogen van de tegenstander te prikken.

Dit verbod werd opgeheven toen twee Spartanen in onderling akkoord besloten te vechten totdat zij niet meer konden. Er kwam pas een einde aan het gevecht als één van de twee pankratiasten zijn nederlaag toegaf of de strijd staakte. De scheidsrechter had alleen tot taak tussen beide te komen als de worsteling onontwarbaar was geworden.

De felheid van het pankration vergde van de beoefenaars ware heldenmoed en sloot zelfs geen daden van verheven menselijke waardigheid uit. In 564 v.C. werd Arrachion van Phigalia, die al twee keer Olympisch kampioen was geweest, in zijn derde poging om de titel te behalen door een naamloze tegenstander gewurgd. Op het ogenblik dat hem de keel werd dichtgeknepen, brak Arrachion een teen van zijn tegenstander. Arrachion stierf, maar op hetzelfde ogenblik gaf de wurger op en werd de zege toegekend aan de inmiddels overleden pankratiast uit Arkadië.
Deze gevechtsmethode was ook bekend in India onder de versie in Sanskriet van de naam pammachion.

India

Vajramushti

De Ariërs verenigden spirituele technieken van de Indische godsdienst en het pankration tot een nieuwe vechtkunst. Volgens Bruce Haines in zijn boek "Karate’s History and Traditions" zijn er tenminste drie lege-handen-vechtkunsten in Indië, te weten Nara, Vajramushti en Kalaripayat, met een geschiedenis die mogelijk wel vijfduizend jaar terug gaat.

Er zijn aanwijzingen dat Vajramushti de allereerste karate-achtige vechtkunst was. Vajramushti kan vertaald worden als "iemand wiens gebald vuist een wapen is". De Kshatriya, of de krijgerskaste, beoefende dit vaak. Het huidige Kalaripayat is nog een karate-achtige vechtkunst die waarschijnlijk beïnvloed is door Vajramushti. Kenmerkend aan Kalaripayat zijn trappen, voetvegen en lage standen. De bewegingen zijn uitgevoerd samen met pranayama (gecontroleerde ademhalingstechnieken). Pranayama is een onderdeel van het achtvoudige pad van discipline in de ashtanga yoga. Men gelooft dat het Kalaripayat de vechtkunst is die de mythische Indiase monnik Bodhidharma naar China heeft meegebracht.

 

China

De Shaolin Tempel

Volgens de legende is karate ongeveer 2000 jaar geleden in China ontstaan.

Onderzoekers zijn het erover eens dat in verschillende delen van China tempelkloosters bestonden die de naam Shaolin droegen. De oudste Shaolin Tempel dateert van 495 n. Chr. en is gelegen in centraal China in het zogenaamde Songshan gebergte in de provincie Honan. Het woord Shaolin, hetgeen betekent 'Jong Woud', is de naam voor dat gebied.

Shaolin Tempel, uitspraak in Cantonees: Siu Lum Ji
Shaolin Tempel, uitspraak in Beijing dialect: Shaolin Ssu (Chaolin-Zsu)
Shaolin Tempel, uitspraak in Japans: Shorin-ji

Bekend is dat de kloosterbewoners vechtkunsttechnieken gebruikten als instrumenten voor spirituele vervolmaking. Rond 500 n. Chr. stichtte de Indiase monnik Bodhidharma in het Song Shan-klooster of wel de Shaolin Tempel, de religie en filosofie van het Zen-Boeddhisme. De Chinezen noemden de Indiase monnik Tamo (Damo) en de Japanners noemden hem Daruma Tashi. Tamo wordt gezien als grondlegger van het Shaolin Kempo (Ch'uan Fa). Volgens de overlevering is Tamo de zoon van koning Sugandha, die behoorde tot de Kshatriya, de militaire kaste. In de zesde eeuw kwam Tamo naar China. Hij werd ontboden aan het hof van keizer Wuti van de Liang Dynastie. Daarop vertrok hij naar het noorden alwaar hij zijn intrek nam in het Shaolin klooster.

Tamo was sterk gekant tegen de overdreven rituele en ceremoniële praktijken van zijn voorgangers. Hij vond het zitten in meditatie de kern van het boeddhisme. Om zijn ideeën kracht bij te zetten mediteerde Tamo negen jaar in een grot niet ver van het klooster.

Zijn onderwijs en tucht waren echter zo streng, dat zijn leerlingen één voor één flauw vielen. Tamo ontwikkelde daarom een reeks van technieken die zijn leerlingen lichamelijk en geestelijk sterker moest maken, namelijk de achttien handen van de Buddha (Shihpa (seipai) Lohan Shou) en de pezen versterkende (Yi Jin Jing) en merg wassende (Xi Sui Jing) oefeningen. De laatste twee zijn waarschijnlijk voorgangers van Sanchin-kata.

Later kregen deze monniken de naam de geweldigste vechters van China te zijn. Hun manier van zelfverdediging werd Chaolin-Zsu, tempelboksen of Kempo genoemd. Het duurde niet lang of deze zelfverdedigingstechniek drong ook door tot Okinawa, Japan. Daar werd het gecombineerd met een methode van vuistvechten en kreeg het de naam Okinawa-Te.

Ongeveer 500 jaar geleden kwam op Okinawa koning Hashi aan het bewind. Toen die het dragen van wapens verbood, kwam het ongewapende gevecht tot grote ontwikkeling.

Okinawa

Okinawa

Het Okinawa Goju-Ryu Karate-do zoals het heden ten dagen beoefend wordt, vindt zijn oorsprong in diverse Zuid-Chinese bokssystemen. Door de levendige handel tussen China, India en het eiland Okinawa, dat tot 1871 een redelijk onafhankelijke status had van Japan, was er ruimte waarin beoefenaars van de diverse vechtkunsten van China (Kempo of Gong-fu), India (Kalaripayit) en Okinawa (toudijutsu) kennis met elkaar konden uitwisselen. Diverse Okinawanen vertrokken zo naar China om zich daar te verdiepen in het Chinese Kempo, waaronder Higaonna Kanryo sensei.

Higaonna Kanryo (1853-1916)

Voordat hij ergens tussen 1868 en 1870 naar Fuzhou in de Chinese provincie Fujian vertrok, had Higaonna getraind bij Aragaki Seisho (1840-1920) en Kojo Taite (1837-1917). Op voordracht van deze leraren en een vriend van de familie zou Higaonna afreizen naar Fuzhou en uiteindelijk onderricht krijgen van Wan XinXian. Wan XinXian is waarschijnlijk de persoon die in andere literatuur als de befaamde leraar Ryu Ryu Ko wordt aangeduid. In welke vormen van Chinees boksen Higaonna hier werd onderricht is niet geheel bekend, maar zeker is dat hij in het Bai He Quan (‘witte kraanvogel boksen’) werd onderwezen. Maar waarschijnlijk hebben ook vormen van Hu Quan (‘tijger boksen’) en Luohan Quan (‘monnik boksen’) zijn training in China beïnvloed.

In 1881 keerde Higaonna terug naar Okinawa en begon uiteindelijk een klein groepje leerlingen les te geven in een systeem dat later bekend zou worden als Naha-te. De naam Naha-te is afgeleid van de Okinawaanse havenplaats Naha, waar het door Higaonna onderrichte systeem begin 1900 vooral bekend werd en het woordje 'te', dat ‘hand’ betekent. De twee andere hoofdrichtingen in die tijd werden bekend als Shuri-te en Tomari-te, naar de gebieden rond de plaatsen Shuri en Tomari, waar deze stijlen tot bloei kwamen.

Miyagi Chojun

Miyagi Chojun sensei kwam uit een rijke adellijke Okinawaanse familie en om hem op zijn toekomstige taak als hoofd van de familie voor te bereiden werd hij op 11-jarige leeftijd naar de Gong-fu-meester Aragaki Ryuko gebracht. Deze verwees hem op 14-jarige leeftijd door naar Higaonna Kanryo sensei. Hier zou Miyagi samen met Kyoda Juhatsu (1887-1967) diepgaand in het Gong-fu van meester Higaonna onderricht worden en uiteindelijk diens topleerling worden. Na de dood van Higaonna verliet Miyagi Okinawa om zich in China verder te bekwamen in het Fujian Shaolin Quan en onderzoek te doen naar het verblijf van zijn overleden leraar Higaonna in China. Later zou Miyagi in de jaren 20 en in 1936 China nogmaals voor onderzoek bezoeken.

Goju-Ryu als officieel geregistreerde stijl

Begin jaren 20 ontwikkelde Miyagi Chojun samen met een bevriende arts het junbi undo, de voorbereidende oefeningen die tot op heden nog de warming-up vormen van vele Goju-Ryu-trainingen. In deze periode ontwikkelde hij ook de kata Tensho op basis van de kata Happoren uit het Bai He Quan (‘witte kraanvogel boksen’). In 1933 werd het Toudi van Miyagi Chojun sensei officieel geregistreerd als Goju-Ryu bij het prestigieuze Japanse Dai Nippon Butokukai, het regulerende Japanse budo-instituut. Go (‘hard’) als verwijzing naar de harde technieken binnen het systeem en ju (‘zacht’) als verwijzing naar de zachte absorberende technieken. Verder ontwikkelde hij in 1940 de kata Gekisai Dai Ichi en Gekisai Dai Ni om het leren van de moeilijke klassieke oude vormen te vergemakkelijken en om de basistechnieken uit het karate aan de steeds groter wordende groepen te kunnen onderwijzen.

Shinzato Jinan (1900-1945)

Shinzato Jinan sensei was tot de Tweede Wereldoorlog Miyagi's topleerling. Alom was bekend dat deze zeer getalenteerde karateka Miyagi zou opvolgen om het Goju-Ryu verder uit te dragen, maar hij kwam helaas om in de slag om Okinawa in 1945. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië besloot Miyagi om voorlopig geen onderricht meer te geven in karate. De oorlog had Okinawa verwoest achtergelaten en naast zijn topleerling Shinzato was ook zijn derde zoon Jun in de oorlog omgekomen. ‘This was not a time for karate training’, zoals Higaonna Morio sensei in één van zijn boeken schrijft.

De periode na de Tweede Wereldoorlog

In 1946 begon Miyagi weer les in karate te geven. Hij deed dit in de tuin achter zijn huis in de Okinawaanse plaats Tsuboya-cho. Deze tuin zou al snel bekend staan als de beruchte ‘garden-dojo’, vanwege de zeer zware trainingen die Miyagi hier gaf. Slechts weinig leerlingen hielden vol en onder de enkelen die volhielden waren Miyagi An’ichi sensei (1931-) (overigens geen familie van Miyagi Chojun sensei) en Miyazato Ei’ichi sensei (1922–). Miyagi Chojun sensei kwam in 1953 te overlijden.

Miyagi An’ichi wordt door velen gezien als de ware opvolger van Miyagi Chojun, gezien de vele tijd die deze in zijn laatste levensjaren met Miyagi An’ichi doorbracht. Gezien zijn zeer bescheiden opstelling en enorme loyaliteit aan zijn leraar Miyagi Chojun sensei, wordt Miyagi An’ichi sensei ook wel de ‘hidden man’ van het Okinawa Goju-Ryu karate-do genoemd.

Higaonna Morio (1938-)

Na de dood van Miyagi kreeg Miyazato Ei’ichi sensei de verantwoordelijkheid over de dojo van Miyagi. Omdat Miyazato zich in deze periode meer met het judo bezighield, was het vooral Miyagi An’ichi sensei die de lessen in de ‘garden-dojo’ verzorgde. In 1955 trad Higaonna Morio sensei (1938-) (overigens geen familie van Higaonna Kanryo sensei) toe tot de dojo van wijlen Miyagi Chojun sensei. Daarvoor had Higaonna onderricht gekregen van Shimabukuru Tsunetaka sensei in het Matsubayashi Shorin-ryu Karate-do. In 1958 zou de Okinawa Karate Federatie een officieel gradueringssysteem ontwikkelen en gradueerde Higaonna Morio tot sandan (derde dan).

De Yoyogi dojo

In 1960 vertrok Higaonna voor zijn studie Economie naar Tokyo en ging lesgeven in de Yoyogi dojo. In de 20 jaar die Higaonna hier lesgeeft, zal deze dojo uitgroeien tot één van de meest befaamde dojo’s ter wereld. Dit mede door de documentaire ‘The Way of the Warrior’ van de Engelse BBC uit 1981. Het Karate-do in de serie wordt vertegenwoordigd door Higaonna sensei, die dan inmiddels al tot hachidan (achtste dan) gegradueerd is. Vele hooggegradueerde Westerse topleraren, waaronder George Andrews sensei (zevende dan) uit Groot-Britannië en Bakkies Laubscher sensei (achtste dan) uit Zuid-Afrika, zijn hun training in het Goju-Ryu Karate-do in deze periode in de Yoyogi dojo begonnen.

Wereldwijd

Internationale organisaties

Vele leerlingen van Miyagi Chojun sensei gingen na diens dood in 1953 hun eigen weg. Twee organisaties zijn echter van belang voor de ontwikkeling en verspreiding van het Goju-Ryu. Yamaguchi Gogen sensei (1909-1989) wist vooral in de jaren 60 en 70 het Goju-Ryu Karate-do uit te dragen met zijn International Karate-do Goju-Kai Association (IKGA). Van deze Japanse variant van het Goju-Ryu is diens zoon Yamaguchi Goshi sensei (1942-) de huidige grootmeester. Het traditionele Okinawa Goju-Ryu Karate-do wordt door Higaonna Morio sensei uitgedragen sinds de oprichting van de International Okinawa Goju-Ryu Karate-do Federation (IOGKF). De IOGKF heeft zich vooral tot doel gesteld het traditionele Goju-Ryu zoals dat door Miyagi Chojun sensei werd onderwezen als Okinawaans cultureel erfgoed te behouden en in zijn meest oorspronkelijke vorm door te geven aan toekomstige generaties karateka.

Beide organisaties, de IKGA en IOGKF, zijn door hun beider wereldomvattende activiteiten verantwoordelijk voor het feit dat het Goju-Ryu Karate-do uitgegroeid is tot één van de vier meest toonaangevende karate-stijlen ter wereld met vele gekwalificeerde Okinawaanse, Japanse en Westerse topleraren.